Samen met de arts en afhankelijk van de oorzaak van de hyperthyreoïdie kiest de patiënt voor een behandeling. Van belang is goede uitleg over voor- en nadelen van de drie behandelingvormen. Denk hierbij aan grote kans op terugkomst van hyperthyreoïdie bij schildklierremmers, grote kans op hypothyreoïdie bij radioactief jodium en operatie, en de risico’s van een operatie.

Ziekte van Graves

Voor veel patiënten met de ziekte van Graves is een behandeling met schildklierremmers een goede keus. Deze optie is onafhankelijk van de ernst van de hyperthyreoïdie. Bij die patiënten bij wie een fors struma bestaat wordt, nadat de schildklier rustig is geworden, gekozen voor een behandeling met radioactief jodium.

Is er geen of een gering struma, dan kan gekozen worden voor het doorzetten van de behandeling met schildklierremmers gedurende 1 à 1½ jaar. Ook dan komt de hyperthyreoïdie bij veel patiënten terug. Zij worden dan alsnog behandeld met radioactief jodium. Naast 'de slok' wordt steeds vaker ook gekozen voor een schildklierverwijderende operatie.

Beiden hebben verschillende bijwerkingen, voor- en nadelen en mogelijke complicaties en een goed verleg hierover met de arts, voordat voor de behandeling wordt gekozen is van belang. Vraag eventueel schriftelijke informatie mee over de de beide type behandelingen, zodat u thuis rustig kunt overleggen en nadenken.  

Het aantal schildklieroperaties dat een ziekenhuis uitvoert, heeft een effect op de kwaliteit van de operaties en de genezing. Tegenwoordig is het ook aan te raden bij de ziektekostenverzekeraar naar te gaan bij welk ziekenhuis / welke arts u terecht kunt voor de door u gewenste vergoedde behandeling.

Toxisch adenoom / toxisch multinodulair struma

Patiënten met een hyperthyreoïdie door een toxisch adenoom worden voor de keus gesteld:

  • behandelen met radioactief jodium
  • een operatie

Wanneer er sprake is van een toxisch multinodulair struma, wordt bij voorkeur direct behandeld met radioactief jodium. Een behandeling met schildklierremmers heeft in dit geval weinig zin. De hyperthyreoïdie keert vrijwel altijd terug na het stoppen met schildklierremmers. Zo’n behandeling met remmers zou levenslang duren en dat is gezien bijwerkingen op de langere termijn niet gewenst.

Bij ouderen met een milde hyperthyreoïdie wordt soms wel gekozen voor behandeling met een lage dosis schildklierremmers.

Voorbehandeling

De schildklier kan geremd worden voorafgaand aan een behandeling met radioactief jodium; maar dat is niet altijd nodig.

  • Gekozen wordt meestal voor de schildklierremmer thiamazol (Strumazol®). Hiermee moet gestopt worden: 3-5 dagen vóór de slok t/m 3-5 dagen na de slok.
  • Als de patiënt PTU slikt, moet hiermee gestopt worden: ten minste 15 dagen vóór tot en met 3-5 dagen na de slok.
  • Het stoppen geldt ook bij de combinatietherapie met schildklierremmers in combinatie met levothyroxine. Van tevoren mag de patiënt 4 weken geen levothyroxine slikken.

Behandeling

Radioactief jodium werkt goed, is gemakkelijk beschikbaar en de kosten vallen mee. Het wordt al heel lang toegepast. De patiënt krijgt het radioactief jodium in de vorm van een capsule of als vloeistof ('de slok'). Na inname is 1 à 2 dagen isolatie nodig; dit is vanwege onder andere de afvoer van urine en ontlasting, die tijdelijk radioactief is.

Als een patiënt de oogziekte van Graves heeft, krijgt hij soms ook bijnierschorshormoon (steroïden, Prednison). Hiermee wordt voorkomen dat oogklachten verergeren.

Nabehandeling

De slok helpt niet direct, er kunnen 3 tot 6 maanden voor nodig zijn, soms nog langer. Vaak krijgt de patiënt die tijd schildklierremmers (plus levothyroxine) voorgeschreven.

Optimale dosis

Het begrip ‘optimale dosis’ wordt op twee manieren uitgelegd:

  • de dosering die na één slok de grootste kans geeft op euthyreoïdie (= normale schildklierwerking/schildklierbloedwaarden)
  • de dosering die na één slok de grootste kans geeft om de hyperthyreoïdie te genezen. Hierbij gelden euthyreoïdie en hypothyreoïdie als gewenste resultaten

De eerste aanpak zorgt dat de hyperthyreoïdie vaker terugkomt (tot 30%).

De tweede aanpak zorgt dat meer patiënten een hypothyreoïdie krijgen. Dat kan oplopen tot op den duur 90% van de patiënten. Zij moeten levenslang levothyroxine slikken.

In de praktijk kiest de arts tussen de:

  1. persoonlijke dosering
  2. vaste dosering

Bij zo’n persoonlijke dosering wordt gemeten hoeveel een persoon (= het individu) nodig heeft om de schildklier rustiger te laten werken. Zo’n onderzoek noem je ook wel een ‘jodium-uptake’. In Nederland wordt meestal gekozen voor deze persoonlijke dosering.

De kans dat de hyperthyreoïdie terugkomt, is groter bij een groot schildkliergewicht.

Ablatieve dosis

Wanneer het de bedoeling is de schildklier snel uit te schakelen, is een ‘ablatieve dosis’ de oplossing. Hiervoor wordt een afgemeten persoonlijke dosis verdubbeld. Bij een zwangerschapswens en hyperthyreoïdie is dat een mogelijkheid. Dit gaat om een veel lagere dosis radioactief jodium dan bij schildklierkanker.