Bij veel aandoeningen van de schildklier werkt het afweersysteem van het lichaam niet goed. Dat afweersysteem noem je ook wel immuunsysteem. Dit immuunsysteem gaat indringers in ons lichaam te lijf, zoals virussen en bacteriën.
Het komt voor dat het immuunsysteem zich vergist en het eigen lichaam aanvalt. Het immuunsysteem ziet dan eigen cellen als vijandelijke indringers. Het maakt antistoffen tegen deze eigen cellen: auto-antistoffen.
Als iemand daardoor ziek wordt, spreken we van een auto-immuunziekte.

TPO- en Tg-antistoffen vallen de eigen schildkliercellen aan. De antistoffen vernietigen de schildkliercellen waardoor de schildklier te weinig of geen hormoon meer aanmaakt. Er ontstaat een hypothyreoïdie. Dit is het geval bij de ziekte van Hashimoto. 
TPO-antistoffen komen echter ook voor bij schildklierpatiënten met de ziekte van Graves en andere schildklieraandoeningen. Deze antistoffen kan men verder bij zich dragen zonder een schildklierstoornis te ontwikkelen.

TSI-antistoffen (of TSAb) richten zich tegen de TSH-receptor: dat deel van de schildkliercellen waar het TSH-hormoon uit de hypofyse zich aan hecht. De TSI-antistoffen gedragen zich als TSH-hormonen en stimuleren de schildklier tot hormoonproductie. Ook wanneer dit niet nodig is. De schildklier produceert te veel hormoon en er ontstaat een hyperthyreoïdie. Dit gebeurt bij de ziekte van Graves. 
TBI-antistoffen blokkeren de werking van het TSH-hormoon. De schildklier wordt niet meer gestimuleerd om hormoon te produceren en verschrompelt. Er ontstaat een hypothyreoïdie.

Gevolgen voor de schildklier

De meest voorkomende oorzaak van een schildklieraandoening is een auto-immuunziekte.
We onderscheiden de volgende antistoffen:

  • antistoffen tegen het schildklierweefsel (anti-TPO en anti-Tg)
  • antistoffen tegen de TSH-receptor.

Antistoffen tegen de schildklier

Anti-TPO en anti-Tg zijn antistoffen tegen de schildklier. Zij veroorzaken een ontsteking en beschadigen de schildklier.

Veel patiënten met de ziekte van Graves en de ziekte van Hashimoto hebben deze antistoffen. Bij patiënten met andere schildklieraandoeningen komen deze antistoffen ook voor, maar minder.

Ze zijn soms ook aanwezig bij gezonde personen, met name bij vrouwen boven 45 jaar. Niet iedereen met deze antistoffen krijgt een schildklieraandoening.

Antistoffen (TPO en Tg) tegen schildklier %
ziekte van Hashimoto 99,9
ziekte van Graves 75
niet-toxisch struma 50
schildkliercarcinoom 10
ziekte van Quervain 10
gezonde personen
(afhankelijk van leeftijd en geslacht)
0 – 30

 

 

 

 

 

 

 

 

Antistoffen tegen de TSH-receptor

Antistoffen tegen de TSH-receptor hebben te maken met de werking van TSH. TSH stimuleert de schildklier om hormonen te maken. Bij deze antistoffen is er verschil tussen stimulerende en blokkerende antistoffen. Samen worden ze vaak TBII genoemd.
Stimulerende antistoffen – ook wel TSI genoemd – doen TSH na. In dat geval stimuleren ze de schildklier om veel schildklierhormoon te maken.
Bekijk hier de normaalwaarden bij bloedonderzoek naar de antistoffen.

Blokkerende antistoffen zorgen dat de TSH zijn werk niet kan doen. De schildklier wordt niet gestimuleerd om hormoon te maken. De schildklier verschrompelt (atrofie).
De meeste patiënten met de ziekte van Graves hebben stimulerende antistoffen.

Blokkerende antistoffen worden wel gezien bij patiënten met hypothyreoïdie (= langzame schildklier).

 

Het voorkomen van auto-antistoffen bij schildklierauto-immuniteit

Tabel: Hormoon en auto-antistof karakteristieken bij diagnose schildklier auto-immuniteit *

Ziekte van Graves Ziekte van Hashimoto
TSH verlaagd TSH verhoogd
T4, T3, FT4 verhoogd T4, T3, FT4 verlaagd
TSH-receptor antistoffen
(veelal stimulerend)
80-100% TSH-receptor antistoffen
(veelal blokkerend)
6%
TPO auto-antistoffen 45-80% TPO auto-antistoffen (hoge titer) 95% 
Tg auto-antistoffen 12-30% Tg auto-antistoffen (hoge titer) 50-60% 

% geven de prevalentie binnen de patiëntenpopulatie weer

TSH-receptor auto-antistoffen zijn pathogeen; dat wil zeggen dat zij bijdragen aan het ziekteproces (pathogenese)
TPO (thyroid peroxidase ) en Tg (thyroglobuline) auto-antistoffen zijn niet pathogeen maar lijken geassocieerd met de hoeveelheid schade aan de schildklier

Geen duidelijke oorzaken

De oorzaak van auto-immuunziekten is nog niet bekend. Erfelijkheid, omgevingsfactoren, stress, virussen en vrouwelijke hormonen spelen een rol. Schildklierpatiënten hebben vaker familieleden met schildklieraandoeningen of diabetes. Bekend is dat schildklieraandoeningen vaker voorkomen bij vrouwen dan bij mannen. Tijdens of na een zwangerschap en in de overgang is er een toename van schildklieraandoeningen.

Wereldwijd doen wetenschappers onderzoek naar het ontstaan van auto-immuunziekten. Zij hopen in de toekomst de oorzaken van auto-immuunziekten te ontdekken en een betere behandeling te ontwikkelen.
De behandeling bestaat nu uit symptoombestrijding, door het aanvullen van schildklierhormoon met medicijnen.
Mogelijk dat wetenschappers ooit ontdekken hoe ze schildklieraandoeningen kunnen voorkomen.

* EMC, schildkliercentrum; Immunologie lab bij ziekte van Graves.